Opdrachtgever
De Kindertelefoon
Gepubliceerd
3 apr 2013
Opdrachtgever
De Kindertelefoon
Gepubliceerd
3 apr 2013

Herinneringen aan De Kindertelefoon

 

De Kindertelefoon is al 34 jaar de plek waar kinderen en jongeren anoniem hun hart kunnen luchten. Journalist Julie de Graaf ging voor het Kindertelefoon Magazine op zoek naar mensen die ergens in die afgelopen 34 jaar hebben gebeld. Hoe kijken zij nu terug op hun gesprek met De Kindertelefoon? 

Janneke (1966) belde De Kindertelefoon in 1979

‘Ik heb één keertje gebeld en dat herinner ik me nog heel goed: ik was 12, zat in de brugklas en mijn ouders waren voor het eerst een weekje op vakantie zonder de kinderen. Mijn broertje en zusje logeerden bij mijn opa en oma, en ik bij mijn oom en tante. In die week overleed een jongen uit de groep waarmee ik elke dag twaalf kilometer naar school toe fietste. Hij had tijdens zijn bijbaantje op de molen een klap van de wieken gekregen en was op slag dood. Ik kende hem niet heel goed, maar had stilletjes een oogje op hem. Toen ik hoorde dat hij was overleden, was ik helemaal in de war en erg verdrietig. Het was voor het eerst dat iemand van mijn leeftijd overleed, en dan ook nog iemand die ik leuk had gevonden. Ik twijfelde heel erg of ik naar zijn begrafenis moest gaan. Ik wilde niet mijn ouders bellen, omdat ik bang was dat zij zich zorgen om mij zouden maken op hun vakantie, maar ik durfde het ook niet met mijn oom en tante te bespreken, omdat ik zo in de war was over mijn eigen gevoelens. Dat was het moment waarop ik De Kindertelefoon heb gebeld.

‘Toen ik had opgehangen gloeide ik helemaal van spanning en van opluchting’ 
Van te voren was ik doodzenuwachtig. Ik had over De Kindertelefoon gehoord via een advertentie in een meisjesblad, maar wist niet zeker of dit wel iets was waar ik over mocht bellen. Gelukkig was het een heel fijn gesprek. Ik geloof dat ik onmiddellijk begon te huilen, maar dat ik een lieve vrijwilliger aan de lijn had die mij snel op mijn gemak wist te stellen. We hebben gepraat over de dood van de jongen en mijn gevoelens. Ze vertelde mij dat niemand het raar zou vinden als ik naar de begrafenis zou gaan en dat je ook naar een begrafenis mag gaan als je iemand niet heel goed hebt gekend. Dat was voor mij erg belangrijk om te horen. Verder drong ze er op aan dat ik mijn oom en tante zou vertellen wat er was gebeurd, zodat ik steun uit mijn omgeving zou hebben. Toen ik had opgehangen gloeide ik helemaal van spanning en van opluchting; wat was ik blij dat ik had mogen bellen en wat was het wonderlijk geweest om met een vreemde een veiligheid te kunnen ervaren, die ik op dat moment nergens anders vond. Ik heb haar advies opgevolgd en heb het meteen dezelfde dag nog aan mijn oom verteld, die daar heel goed op reageerde. Hij is later die week met mij naar de begrafenis gegaan.
Mijn kinderen zijn nu 11 en 13 en weten van het bestaan van De Kindertelefoon. Ik zou het heel goed vinden als ze een keertje zouden bellen als ze ergens mee zitten, omdat ik weet dat De Kindertelefoon de functie heeft van een neutrale derde. Uit eigen ervaring weet ik bovendien dat het niet betekent dat ze dan geen vertrouwen in mij hebben, maar dat het soms fijner is om iets met een relatief vreemde te bespreken.’

Joris (1970), belde De Kindertelefoon in 1982

‘Toen ik elf was raakte ik verliefd op een meisje. En daarna op haar broer. Ik realiseerde me pas dat het “niet normaal was” om op jongens te vallen, toen ik aan het meisje vertelde dat ik haar broer ook leuk vond en zij boos werd. Vervolgens vertelde ze aan iedereen die het wilde horen dat ik “een homoflikker” was. Dat was de start van een verwarrende tijd waarin ik lang geworsteld heb met het ontdekken van mijn identiteit.
‘Wat gaat dit betekenen voor de rest van mijn leven?’
Het was begin jaren ’80 wel in de mode om als jongere over je problemen te praten, dus er waren allerlei instanties waar ik terecht kon. Er waren radioprogramma’s waar je naar toe kon bellen om advies te krijgen, maar ook telefoonlijnen als Korrelatie, het Gay & Lesbian Switchboard en natuurlijk De Kindertelefoon. Ik ontdekte De Kindertelefoon in de Taptoe, een blad voor kinderen waar ik een abonnement op had. Alleen al het bestaan van een telefoonlijn speciaal voor kinderen waar ik anoniem mijn verhaal kwijt kon, vond ik een grote opluchting. Toen mijn ouders een keertje niet thuis waren, heb ik gebeld. Ik zal toen een jaar of 12, 13 zijn geweest en was op zoek naar bevestiging dat er meer mensen waren zoals ik. Daarnaast had ik allerlei vragen: wat gaat dit betekenen voor de rest van mijn leven? Hoe gaat het nu verder met mij? Hoe kom ik aan een vriendje? Hoe vertel ik het mijn ouders? Bij De Kindertelefoon heb ik een soort noodkreet kunnen uiten. Van het gesprek zelf kan ik me niet meer zoveel herinneren, behalve dat ik het fijn vond om iemand aan de lijn te krijgen met wie ik in vertrouwen kon praten. Dat alleen al is heel veel waard als je zo in de put zit. Het gevoel dat ik aan dat gesprek heb overgehouden, was een gevoel van aanmoediging. De vrijwilliger heeft me echt moed in willen praten om het aan mijn ouders te vertellen, zodat ik kon merken dat de wereld dan niet zou vergaan. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan, want ik heb jarenlang in een identiteitscrisis gezeten en ben er zelfs depressief van geweest.

Hoewel mijn ouders nogal vrijzinnig zijn en ik kon weten dat ze dit niet af zouden keuren, heb ik er heel lang over gedaan om uit de kast te komen. Pas om mijn negentiende had ik een doorbraak, en heb ik het aan mijn beste vriend verteld. Op dat moment viel er een last van mijn schouders. Daarna ging alles eigenlijk vanzelf en was mijn probleem ineens opgelost.’

Marleen (1989) belde De Kindertelefoon in 2000


‘Mijn ouders rookten en dat vond ik al op jonge leeftijd heel erg. Ik was vrij vocaal en creatief in mijn protest: ik maakte tekeningen van halfdode mensen met nog een sigaret in hun hand, plakte overal in huis zelfgemaakte “verboden te roken”-borden en knipte hun sigaretten doormidden of stopte ze in een glas water. Als ik mijn ouders zag roken werd ik heel kwaad, zeker als ze probeerden om stiekem ergens een sigaret op te steken. Ik was behoorlijk militant, maar het was echt een grote bron van frustratie.
‘Het betekende veel voor mij dat er nu een keer een volwassene aan mijn kant stond’

Toen ik 9 of 10 was heb ik hier over naar De Kindertelefoon gebeld, toen ik op een middag bij mijn buurmeisje aan het spelen was. Ik verwachtte niet dat De Kindertelefoon zou zorgen dat mijn ouders zouden stoppen met roken, maar het leek me wel fijn om een keer mijn verhaal te doen. Ik weet nog dat ik het niet eng vond om te bellen; eerder stoer omdat ik mijn ouders lekker ging verklappen. Ik herinner me dat ik een aardig meisje aan de lijn kreeg, met een heel lieve stem. Ze luisterde goed en gaf allemaal tips die ik natuurlijk al lang geprobeerd had, maar toch voelde ik me gesteund. Het betekende veel voor mij dat er nu een keer een volwassene aan mijn kant stond. Nadat ik had opgehangen, was ik heel blij: ik voelde me getroost en begrepen. Jammer genoeg heeft het gesprek uiteindelijk niet geholpen met mijn probleem. Ik ben nog wel doorgegaan met mijn anti-rookprotest, maar inmiddels is het dertien jaar later en roken mijn ouders nog steeds...’


Ellen (1970) belde De Kindertelefoon regelmatig tussen 1980 en 1982

‘Ik werd erg gepest op de lagere school en voelde me heel onzeker. Bij ons in de klas was het “stoer” om iemand op te wachten en in elkaar te slaan, waardoor ik altijd bang op school kwam en niet naar huis durfde. Thuis kon ik niet op veel begrip rekenen. “Sla er maar op los” en “Je zal er zelf wel onderdeel van uitmaken” zeiden mijn ouders. Op school werd het pesten wel gezien, maar niet echt serieus genomen. Het was een afschuwelijke periode, waarin ik gelukkig mijn verhaal kon doen bij De Kindertelefoon. Ik belde regelmatig en wist op een gegeven precies bij welke Kindertelefoon-locatie ik fijn kon kletsen. In die tijd waren er nog verschillende nummers voor de verschillende vestigingen van De Kindertelefoon, en ik heb ze bijna allemaal uitgeprobeerd. De gesprekken betekenden heel veel voor mij, omdat ik gehoord werd en serieus werd genomen. Ik was in die tijd heel eenzaam en keek er echt uit naar uit om af en toe te bellen. Dan luchtte ik eerst mijn hart over de pesterijen en daarna vertelde ik ook over de leuke dingen die ik had meegemaakt; over dat ik was gaan zwemmen of bij mijn opa en oma was gaan logeren. Zo heb ik van mijn tiende tot mijn twaalfde gebeld, totdat mijn vader een keer heel boos werd om de mysterieus hoge telefoonrekeningen. Rond die tijd zijn mijn ouders gescheiden en stopte mijn moeder met werken, waardoor ze altijd thuis was en ik niet meer kon bellen. Gelukkig had ik De Kindertelefoon steeds minder nodig, omdat ik naar een andere school ging, vrienden maakte en minder eenzaam werd. 

Toen ik twintig was, las ik een oproep in de krant dat De Kindertelefoon bij mij in de buurt op zoek was naar vrijwilligers. Ik heb me meteen aangemeld en heb vier jaar lang met heel veel plezier naar kinderen geluisterd en ze advies gegeven. In die tijd heb ik er hard voor geknokt om te zorgen dat De Kindertelefoon gratis zou worden. Ik ben zo blij dat dit nu zo is, en dat het nummer niet op de telefoonrekening van je ouders verschijnt. Nu is De Kindertelefoon echt voor iedereen toegankelijk.

‘De behoefte van kinderen om gehoord te worden, zal nooit verdwijnen’

Op het moment ben ik heel tevreden als vrijwilliger bij het Landelijk Cliëntenforum Jeugdzorg, maar ik sluit niet uit dat ik ooit weer bij De Kindertelefoon aan de slag ga. Als ik jongeren spreek met problemen, dan vertel ik ze altijd over De Kindertelefoon en de mogelijkheid om te chatten of te bellen. Ik denk dat de behoefte van kinderen om gehoord te worden nooit zal verdwijnen en draag De Kindertelefoon dan ook een heel warm hart toe.’