Opdrachtgever
Gonzo (Circus)
Gepubliceerd
6 mar 2013
Opdrachtgever
Gonzo (Circus)
Gepubliceerd
6 mar 2013

Interview kunstenaar Alfredo Jaar

“Een architect die kunst maakt”, dat is hoe Alfredo Jaar (1956) zichzelf typeert. De Chileense kunstenaar staat bekend om zijn maatschappelijk geëngageerde werken, die niet gebonden zijn aan een vaste vorm. Jaar maakt installaties, schrijft, filmt, fotografeert, verzamelt, signaleert en confronteert. In zijn werk verkent hij sociale en economische ongelijkheden tussen het rijke Westen en (veelal Afrikaanse) ontwikkelingslanden en stelt hij maatschappelijke misstanden aan de kaak. Zo confronteerde hij zijn publiek met de ernstige vervuiling van het drinkwater in Nigeria, de erbarmelijke omstandigheden van goudmijnwerkers in Brazilië en het strenge immigratiebeleid in Finland. Jaars meest bekende werk is “The Rwanda Project”, waar hij zes jaar aan werkte. Het bestaat uit een reeks installaties en foto’s over de genocide in Rwanda in de jaren negentig. In februari was Jaar in Nederland voor de tentoonstelling van zijn installatie “The Sound of Silence” in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam. Julie de Graaf sprak hem over zijn keuze om kunstenaar te worden in het Chili van Pinochet, zijn diepe geloof in de kracht van kunst en waarom hij per se mensen wil bereiken die nog nooit een voet in een museum hebben gezet.

Jaar woont sinds begin jaren tachtig in New York, daarvoor studeerde hij architectuur en deed een opleiding tot filmmaker in Chili. Eind jaren zeventig, toen dictator Pinochet nog stevig aan de macht was, ging Jaar in zijn thuisstad Santiago de straat op om aan mensen te vragen wat hen gelukkig maakte. De foto’s, portretten en video’s die hij van hun antwoorden maakte, vormden de basis van zijn eerst werk “Studies on Happiness.”

Wat zette u er toe om kunst te maken in zo’n onderdrukkend politiek klimaat?

Ik wilde altijd al kunstenaar worden, maar mijn vader vond dat geen goed idee. Hij overtuigde me om architect te worden; ook een creatief beroep en iets waar ik van zou kunnen leven. Ik luisterde naar hem en ging architectuur studeren, met een korte onderbreking waarin ik mijn diploma als filmmaker behaalde. Ik ben heel blij dat mijn leven zo gelopen is, want ik ben een architect die kunst maakt. Architectuur is de methodologie die ik hanteer om kunst te maken en architectuur heeft mijn leven veranderd. Als je mijn werk bestudeert, dan zal je veel aspecten van architectuur en cinema terugvinden. Ik ben mijn vader dus heel dankbaar voor zijn advies. Toen ik afgestudeerd was, maakte ik geen bewuste keuze om kunst te gaan maken, ik begon gewoon en stelde vragen over dingen waar ik benieuwd naar was. Ik deed het spontaan en pakte projecten aan zoals een architect het zou doen: ik deed onderzoek. Zo ontstonden mijn eerste werken.

Het is een van Jaars stokpaardjes: kunst maken als een architect. Hij bestudeert onderwerpen uitgebreid en gaat op zoek naar de essentie, pas als hij die gevonden heeft, bepaalt hij hoe zijn werk eruit zal komen te zien.
 
U heeft de afgelopen dertig jaar onder meer werk gemaakt over de mensonterende werkomstandigheden van mijnwerkers in Zuid-Amerika, de genocide in Rwanda en de hongersnood in Sudan. Toen ik vanochtend de krant opensloeg, zag ik talloze gebeurtenissen waar uw volgende werk over zou kunnen gaan: de opstand in Syrië, het conflict in Mali, de hongersnood in Noord-Korea. Hoe kiest u een nieuw onderwerp?

Ik ben een newsjunkie, en erg geïnteresseerd in de wereld. Mijn modus operandi is altijd geweest om alleen te handelen in de wereld, als ik de wereld begrijp. Dat is weer de architect in mij: een architect kan niet ontwerpen, als hij niet weet waar een gebouw voor gaat dienen. Dus volg ik het nieuws, en spendeer ik het eerste uur van iedere dag aan het lezen van kranten, bladen en websites. Van de conflicten die spelen, volg ik er ongeveer een dozijn erg nauw. Het zijn gebeurtenissen die mij om verschillende redenen interesseren. Zo volg ik het huidige conflict in Mali al zes jaar omdat ik fan ben van Tinariwen, een groep muzikanten uit Noord-Mali, en de inmiddels overleden Malinese muzikant Ali Farka Touré. Ik houd zo’n situatie dan bij, kijk naar de foto’s en de video’s, verzamel informatie en probeer te begrijpen wat er aan de hand is en wie de belangrijkste spelers zijn. Op een gegeven moment gebeurt er iets wat mijn emotie of interesse triggert. Opeens voel ik de behoefte om betrokken te raken. That’s when I jump.

Zoals bij het werk en de zelfmoord van Kevin Carter, die als fotojournalist de hongersnood in Sudan versloeg en de Pulitzerprijs won voor zijn foto van een uitgehongerd meisje dat op de grond ligt, met naast haar een gier die zit te wachten tot ze sterft. U maakte daar de installatie “The Sound of Silence” over, waar de bezoeker het verhaal achter de foto ziet.

Precies. Ik volgde de hongersnood al jaren en zag die foto van Carter in The New York Times. Het is een van de meest bijzondere beelden die ooit is gemaakt over honger in de wereld. De foto knipte ik uit en stopte ik in mijn Sudan-file. Toen Carter een jaar later zelfmoord pleegde, was dat zo’n moment waarop ik wist: hier zit iets in.

Het is een vreselijke foto. Alleen al na een snelle blik voel je de horror en het leed. U werpt niet slechts een snelle blik, maar u dompelt zich onder in die ellende. De ellende van een hongersnood, de ellende van een genocide. U bent er jaren intensief mee bezig. Hoe gaat u daar mee om?

Door mijn werk kan ik er mee omgaan. Kunst, en in het bijzonder muziek, is een uitzonderlijk helende kracht. Ik maak kunst om veel redenen, maar één daarvan is dat kunst mij heelt en mij helpt om de wereld te begrijpen. Een van de ergste dingen die je meemaakt als je geconfronteerd wordt met zulke vreselijke gebeurtenissen, is het niet kunnen begrijpen. Het gebrek aan begrip is waar je uiteindelijk aan onderdoor gaat. Daarom probeer ik zoveel mogelijk aspecten van een situatie te begrijpen en deel ik die informatie, kennis en de context met mijn publiek. Kunst speelt dus een enorm belangrijke rol, en niet alleen in mijn leven. Nietzsche zei ooit: “Zonder muziek zou het leven een vergissing zijn.” Ik maak daar graag van: “Zonder cultuur zou het leven een vergissing zijn”. Probeer je eens voor te stellen dat we zouden leven in een wereld zonder visuele kunsten, zonder theater, zonder dans of film; het zou niet leefbaar zijn. Artiesten creëren modellen om naar de wereld te kijken en helpen ons om de wereld te begrijpen.

Er gebeuren zoveel rampen in de wereld, u heeft het ene werk nog niet afgerond of er is alweer een nieuwe massamoord gaande, een nieuwe hongersnood, een nieuwe kernramp. Heeft u nooit het gevoel dat u achter de feiten aanrent?

Het is soms frustrerend, maar ja, wat moet ik dan? Should I kill myself? Nee, ik blijf het proberen. Het is zoals het Braziliaanse lied “un paso adelante y dos pasos atrás”, je zet een stap vooruit en dan ga je weer twee stappen terug. Dat is hoe het is. Dat is hoe het leven is.

Jaar is een groot bewonderaar van de Italiaanse marxist en humanist Antonio Gramsci en van zijn standpunt dat cultuur de wereld kan veranderen. Hij wijdde er een paar jaar geleden zelfs drie installaties aan, “The Gramsci Trilogy”. Tegelijkertijd laat Jaar zich in interviews vaak pessimistisch uit over de hoe de wereld er voor staat. Zo liet hij zich de afgelopen jaren ontvallen “Wij hebben bijna al onze menselijkheid verloren” en “Ik voel me schuldig over mijn generatie omdat we gefaald hebben de wereld een betere plek te maken.”.

Bent u een optimist of een pessimist?

Ik ben een Gramsci-ist. Hij zei dat hij altijd onder het pessimisme van het intellect leed, maar ook leefde met het optimisme van de wil. Dat is de balans. Intellectueel ben ik een pessimist en zie ik de donkere, moeilijke gebeurtenissen waar geen oplossing voor lijkt te zijn, geen licht aan het einde van de tunnel. Maar mijn wil is optimistisch: we moeten doorgaan en blijven proberen de wereld een betere plek te maken. Soms is mijn wil sterker, soms mijn intellect. Ik ga dansend tussen die twee door het leven.
 
U gelooft in Gramsci’s uitspraak dat cultuur de wereld kan veranderen. Hoe ziet u dat voor zich?

Cultuur kan zeker de wereld veranderen en doet dat elke dag. We zijn er ons alleen meestal niet bewust van. Neem nu de verkiezing van president Obama. Voordat Obama er was, waren het televisie, film en muziek die een zwarte president uitvonden. Als je de afgelopen veertig jaar televisie keek, bioscopen bezocht of muziek beluisterde, dan zag en hoorde je al een zwarte president. Cultuur heeft het imago van een zwarte president geschapen en geaccepteerd gemaakt. Daarna kon Obama komen. Dat geloof ik echt. Als cultuur niet de weg had vrijgemaakt, was zijn verkiezing niet mogelijk geweest. Ik woon nu eenendertig jaar in de Verenigde Staten en het is nog steeds een land waar racisme erg leeft, en het land splijt. Obama is er president, omdat cultuur het mogelijk heeft gemaakt.

Welke verandering wilt u met uw werk bewerkstelligen?

Ieder werk dat ik maak, is ontworpen met een programma, een doel. “The Sound of Silence”, de lichtbox waarin mensen het levensverhaal van fotograaf Kevin Carter te zien krijgen en het verhaal achter die schrijnende foto, is mijn manier om de notie te delen dat beelden belangrijk zijn. Ik wil mijn publiek meegeven dat beelden aandacht verdienen en dat achter elk beeld een complex verhaal schuil gaat, maar dat je dat moet leren zien. Daarom heb ik een theater gebouwd voor die ene foto van Carter. Ik suggereer in “The Sound of Silence” dat we ons moeten afvragen bij het zien van zo’n foto: waar sta ik tegenover dit beeld, wat is mijn positie in de wereld en wat kan ik doen? Voor mij is de gier op Carters foto het geprivilegieerde Westen. De gier staat voor de rijke wereld waarin wij hier leven. Wij zitten hier nu binnen, in een verwarmde kamer met elektrisch licht en stromend water. Dat is niet normaal. Althans, voor ons is het normaal, maar voor een groot deel van de wereld niet. Ik wil mensen er van bewust maken dat de wereld verder rijkt dan ons beperkte mentale en fysieke landschap. Bewustzijn kweken, daar gaat het mij om.

U geeft bezoekers van uw tentoonstelling een poster mee waar op staat: “You do not take a photograph. You make it.”

Het is een statement over de verantwoordelijkheid van de fotograaf. Iedere keer als we een krant lezen of een website openen en we zien een foto, dan is die foto niet toevallig genomen. Die foto is gemaakt om een verhaal te vertellen, er zit een idee en een referentiekader achter. Het is geen onschuldig beeld. Ik maakte ooit “Searching for Africa in LIFE” waarbij ik 2500 covers exposeer van het zeer invloedrijke blad LIFE. Dat blad heeft fotojournalisme uitgevonden in de jaren ’30 en heeft Amerika geleerd hoe het naar beelden moet kijken. Maar als je in hun beelden zoekt naar Afrika, dan vind je niets. Hooguit twee of drie foto’s van dieren. Voor mij is het een voorbeeld van hoe de Westerse media Afrika in de vorige eeuw hebben behandeld.

Naast het werk dat hij maakt voor musea en galeries, reserveert Jaar een derde van zijn tijd voor het geven van onderwijs en een derde voor projecten die hij “public interventions” noemt. De interventies zijn werken in de publieke ruimte. Zo installeerde hij in de koepel van een bekend gebouw in Montreal, Canada, een rood licht dat aanflitste zodra er iemand bij een van de drie daklozencentra van de stad aanklopte. En in Zweden bouwde hij in een dorpje zonder museum een papieren galerie die na vierentwintig uur in brand werd gezet.

U besteedt een groot deel van uw tijd aan uw publieke interventies, waarom?

Ik ben gefrustreerd door het kleine bereik van de kunstwereld, het is een in zich zelf gekeerd, geïsoleerd wereldje. Het percentage van de bevolking dat naar musea en galeries gaat is overal ter wereld erg laag. Natuurlijk is het belangrijk om hen te bereiken, maar het is ook belangrijk om een breder publiek te bereiken en dat is wat ik doe met mijn interventies. Als het publiek niet naar mij komt, dan kom ik wel naar het publiek. Ik leer er bovendien veel van. Contemporaine kunst heeft een bepaalde taal; als je naar een museum komt en je ziet een rare of bizarre installatie, dan weet je dat het contemporaine kunst is en accepteer je het. Je begrijpt de taal. Maar als je contemporaine kunst buiten de kunstwereld brengt, dan betekent het niets. Met mijn interventies in de buitenwereld moet ik leren hoe ik een andere taal kan spreken. Ik werk nu bijvoorbeeld aan een werk in Fukushima, Japan, naar aanleiding van de kernramp in 2011. Meer dan de helft van de mensen die ik daar wil bereiken is nog nooit naar een museum geweest, dus kan ik geen raar project neerzetten. Ik moet mijn taal aanpassen om hen te bereiken. Ik heb nu al meer dan zestig interventies gemaakt, dat zijn zestig talen die ik heb geleerd. Die nieuwe vaardigheden neem ik weer mee in mijn andere werk. Zo voedt de buitenwereld mijn werk in de kunstwereld, en andersom.

Een derde van uw tijd besteedt u aan het geven van onderwijs. Tijdens een recente workshop in Beirut vertelde u studenten dat kunst en cultuur nieuwe vormen moeten vinden om in onze huidige tijd een minimale impact te kunnen hebben. Wat bedoelde u daarmee?

De wereld verandert constant. Daarom moeten we niet dezelfde taal blijven gebruiken om veranderende realiteiten te verwoorden en een steeds verschillend publiek aan te spreken. Een persoon die geboren wordt met een computer in zijn hand, is een heel ander persoon dan iemand die niet met die techniek is opgegroeid en heeft een andere manier om naar de wereld te kijken. Daarom is het voor iedere kunstenaar belangrijk om zich aan te blijven passen aan nieuwe omstandigheden, nieuwe mogelijkheden en nieuwe mentaliteiten. Voor mij is kunst communicatie. Communicatie heeft een taal nodig, taal heeft een vocabulaire nodig en dat vocabulaire is altijd in beweging.

Als u uw studenten maar één les mocht meegeven, wat zou dat dan zijn?

Dat kunstenaars denkers zijn. Studenten denken vaak dat kunstenaars mensen zijn die dingen maken. Dat is niet zo. Ik leer ze: “Stop met maken en start met denken.” Kunst bestaat voor negenennegentig procent uit denken en voor één procent uit maken. Kunstenaars zijn intellectuelen en denkers, en creëren nieuwe modellen om naar de wereld te kijken. Onze werken zijn de finale articulaties van onze ideeën.

Dus een denker is maar één procent weg van het kunstenaarschap?

Absoluut! Dat is waarom de Duitse kunstenaar en wetenschapper Joseph Beuys zei: “Iedereen is een kunstenaar.” Iedereen die nadenkt om de wereld te begrijpen en problemen op te lossen, is in potentie een kunstenaar. Die persoon verwoordt zijn ideeën alleen nog niet met kunst.

Alfredo Jaar werd in 1956 geboren in Chili, maar bracht zijn jeugd door in Martinique. Net voordat de dictator Pinochet er aan de macht kwam, verhuisde Jaar terug naar Chili, waar hij studeerde en zijn eerste kunstwerken maakte. Inmiddels woont hij ruim dertig jaar in New York en heeft hij solo-exposities gehad in onder meer het New Museum of Contemporary Art in New York, de Whitechapel in Londen en het Museo d’Arte Contemporanea in Rome. In 2013 zal Jaars werk voor de derde maal te zien zijn op de Biënnale in Venetië. Jaar is getrouwd met ontwerper Evelyne Maynard en is de vader van dj en techno-producer Nicolas Jaar.

Foto door: Michel Mees