Opdrachtgever
Folia Magazine
Gepubliceerd
6 mar 2013
Opdrachtgever
Folia Magazine
Gepubliceerd
6 mar 2013

Wasdom: André Kuipers

“De science fiction-boekjes die ik op mijn twaalfde van mijn oma kreeg, waren niet alleen de reden dat ik astronaut wilde worden, maar ook dat ik geneeskunde wilde studeren. Ze had nummers tien, elf en twaalf van de Perry Rhodan-serie gekocht. Dat was een tweewekelijkse serie die ik vervolgens jarenlang verslond. Van die in plastic verpakte boekjes met een slappe kaft over de avonturen van mensen in de toekomst, met ruimteschepen en raketten, maar ook over andere planeten waar leven gecreëerd werd. Dat vond ik heel intrigerend en het zette me aan het denken over wat leven nu eigenlijk is, hoe een oogcel weet dat het een oogcel moet worden en hoe een spier werkt. Het wekte mijn interesse voor geneeskunde, en dan vooral voor technische gebieden als biochemie en fysiologie.

Ik dacht dat alleen Amerikaanse testpiloten astronaut konden worden en besloot geneeskunde te studeren. Ik zag mezelf wel medisch specialist in een Amsterdams ziekenhuis worden. De studie beviel erg goed: ik vond bijna alles interessant en volgde veel extra co-schappen, zo deed ik radiologie, neurochirurgie en anesthesiologie. Ook liep ik een tijd mee met een rijdende psychiater, waarmee ik huisbezoeken door heel de stad aflegde en in de gevangenis methadon uitdeelde. Mijn co-schap verloskunde was ook leuk; daarvoor verbleef je tijdens je diensten in het Praktikantenhuis aan de Sarphatistraat en werd je gebeld als er een bevalling was. Dan ging midden in de nacht de telefoon en sprong ik op de fiets met mijn verloskoffertje. Tijdens mijn co-schappen mocht ik onderzoek doen bij KNO-arts en professor Wil Oosterveld in het AMC. Hij was gespecialiseerd in het evenwichtsorgaan en werkte samen met NASA. Dankzij die ervaring kon ik na mijn studie mijn militaire dienst vervullen als arts bij de luchtmacht. Via de luchtmacht kwam ik bij het onderzoekscentrum voor lucht- en ruimtevaartgeneeskunde in Soesterberg terecht. Zo kwam ruimtevaart steeds een stapje dichterbij.

Vier jaar na mijn afstuderen kon ik aan de slag als wetenschappelijk coördinator bij ESTEC, het onderzoeks- en technologiecentrum van ESA. Ik hoopte dat als ik daar zou blijven werken en goed mijn best zou doen, ik uiteindelijk geselecteerd zou worden als astronaut. Die kans was erg klein, maar ik wilde per se de aarde vanuit de ruimte zien en was bereid daar alles voor te geven. In de jaren die volgden, kwam ik steeds verder van geneeskunde af te staan. Dat vond ik best lastig, want straks zou ik een medische carrière opgeven en nooit de ruimte in komen. Toch bleef ik volhouden; het zou heel jammer zijn als het niet zou lukken om astronaut te worden, maar dan had het in ieder geval niet aan mij gelegen.

Uiteindelijk werd ik op mijn veertigste geselecteerd en mocht ik in 2004 voor het eerst de ruimte in en ik 2011 een tweede keer, voor 193 dagen. Die lange aanloop is het helemaal waard geweest. Niet meteen hoor, want de eerste dagen in de ruimte zijn afzien: je bent ruimteziek, je hebt een opgezwollen gevoel in je hoofd, er is een hoog geluidsniveau, er wordt continue wat van je verwacht en je leeft in een soort glazen huis. Maar af en toe kon ik een moment pakken. Dan was ik in een donkere module naar buiten aan het kijken en drong het na een tijdje opeens tot me door: ik ben echt in de ruimte, ik leef mijn jongensdroom.”